rijden op algen (reformatorisch dagblad 02-10-07)

11 10 2007

Rijden op algen

Diesel op basis van algenolie kan biobrandstoffenmarkt nieuwe impuls geven Rijden op algen

Biobrandstoffen. Als ze al niet zorgen voor minder CO2-uitstoot, dan toch in elk geval voor de mogelijkheid een brandend schuldgevoel af te kopen vanwege het creperende klimaat. Maar brandstof uit plantaardig materiaal is niet zo onschuldig als het lijkt en ligt in toenemende mate onder vuur. Levert de kleine maar veelzijdige alg het definitieve antwoord?

Het miezert, maar daar hebben de algen aan de Industriestraat in ’s-Gravenpolder geen last van. Integendeel; ze staan weliswaar buiten, maar niet in direct contact met de buitenlucht. „Dat is het vernieuwende van ons systeem”, zegt Rob van der Zaag van Bioking. „Invloeden van buitenaf kunnen het kweekproces niet langer verstoren.”

Van der Zaag staat op het industrieterrein van het Zuid-Bevelandse dorp. Naast hem pronkt een installatie van buizen, via haarspeldbochten aan elkaar verbonden. In de buizen klotst zachtjes groen water, boordevol algen. De buizen zijn aangesloten op een installatie die CO2 toevoegt, waardoor de algen sneller groeien.

Het geheel is met zo’n 10 bij 5 meter nog van bescheiden afmetingen. „Daar is het ook een proefinstallatie voor”, zegt Van der Zaag. Desondanks vormen de buizen nu al de trots van het uit z’n voegen groeiende Zeeuwse bedrijf. „Ik verwacht dat we de eerste grotere systemen voor de productie van biodiesel later deze maand kunnen leveren. Er is vanuit het buitenland ongelooflijk veel belangstelling voor.”

Ei van Columbus
Oprichter Hans van de Ven van Bioking lijkt een gat in de markt gevonden te hebben sinds hij vijf jaar geleden in zijn schuur experimenteerde met alternatieve brandstoffen. De biodiesels kregen zijn interesse nadat hij in Venezuela jarenlang in de olie-industrie werkte en veelvuldig met de problemen van de gangbare brandstof werd geconfronteerd. De alg is mogelijk hét antwoord op de kritiek die biodiesel voor de kiezen krijgt. Het productieproces van veel soorten biodiesel en ethanol biedt momenteel namelijk allerminst het ei van Columbus. Zo levert maisethanol -dat vooral in de Verenigde Staten volop wordt geproduceerd- maar iets meer energie dan nodig is om het product te maken. Ethanol uit suikerriet, waarvan Brazilië de grootste producent is, levert ongeveer acht keer meer op. Biodiesel, veelal afkomstig van sojabonen en koolzaad, bevat ongeveer 2,5 keer zo veel energie als nodig is om het te maken.

Bovendien gaat de productie van biobrandstoffen vaak ten koste van armen. De prijs van mais is sterk opgedreven. In een land als Mexico, waar mais het hoofdbestanddeel voor veel voedsel is, zorgt dat voor problemen. In Aziatische landen gebeurt min of meer hetzelfde met palmolie, dat daar eveneens voor de bereiding van eten wordt gebruikt.

Daarnaast gaan de oneindige golvende maisvelden ten koste van de productie van gewassen die wél voor consumptie zijn bestemd: het landbouwareaal is immers niet onuitputtelijk. Met iedere oogst hadden ook hongerige buiken gevuld kunnen worden.

Mede om deze redenen denken veel wetenschappers dat de huidige markt in biodiesels en ethanol vooral in stand blijft omdat -westerse- consumenten daarmee het gevoel hebben iets terug te doen voor het milieu.

Gesloten systeem
Een écht antwoord ligt mogelijk dan ook besloten in een product dat weinig energie kost bij de productie, niet primair geschikt is voor consumptie en bovendien zo min mogelijk kostbare landbouwgrond in beslag neemt. „Wij hebben dat ei van Columbus”, zegt Van der Zaag stellig, wijzend op de proefinstallatie van Bioking in ’s-Gravenpolder. „Algen hebben zo ongeveer alleen zonlicht en CO2 nodig. Die zijn op veel plaatsen beschikbaar. Bovendien kun je de installatie gerust op onvruchtbare grond neerzetten.”

De kennis om olie uit algen te winnen is niet nieuw. In de farmaceutische industrie wordt al decennia olie uit de slijmerige plantjes geperst om toe te voegen aan medicijnen. Van der Zaag: „En ook in het alternatieve circuit zie je dat algenolie veel gebruikt wordt. Denk aan alle voedingssuplementen waarin omega-3-vetzuren zijn verwerkt.”

De toegevoegde waarde van het ’s-Gravenpolderse productieproces zit ’m in de wijze waarop de algen worden gekweekt. „Dat doen we niet in open vijvers, wat tot nu toe bijna altijd gebeurt”, legt Van der Zaag uit. „Als er een kikker in springt, of een reiger ontlast zich boven de vijver, dan verandert de hele algenbiotoop. De algen kunnen er zelfs aan doodgaan. De kleinste veranderingen zijn van groot belang. In Mozambique hebben proeven met een open systeem ons veel teleurstellingen opgeleverd. Om die reden hebben wij een gesloten systeem ontwikkeld. In zo’n fotobioreactor kunnen we het proces tot in detail reguleren.”

Couveusekindje
Onder de algenkwekers heerst minder optimisme over het gesloten systeem. „Het zal nooit de open vijvers vervangen”, zegt Carel Callenbach, directeur van Ingrepro uit Borculo – de grootste algenkweker van Nederland. „Dat de biotoop in open vijvers eenvoudig ernstig verstoord kan worden, is onzin. Wij werken al meer dan negen jaar met open vijvers en er zijn genoeg algen die daar prima in willen groeien. De mensen die nu gesloten systemen ontwikkelen, zijn niet de mensen die algen kunnen kweken. Ze bouwen vaak alleen apparaten. Dan moet je niet roepen dat de algenkweek in een fotobioreactor per definitie beter is.”

Saillant detail is dat Callenbach de kweek voor Bioking organiseert. „Wij leveren de algen die zij in de proefinstallatie gebruiken. Ik ben ook niet tegen die ontwikkeling, maar tot nog toe is het heel futuristisch allemaal. Een gesloten systeem zal altijd duurder blijven; denk alleen maar aan de productie van al die buizen. Het enige voordeel is dat je makkelijker algen kunt kweken die heel zwak zijn, die als het ware als een couveusekindje verzorgd moeten worden. Maar waarom zou je die ene exoot nemen die superhard groeit in zo’n systeem terwijl je met een paar extra vijvers en een veel gangbaarder alg op hetzelfde productieniveau zit?”

40.000 liter
De mogelijkheden van algen als grondstof voor biodiesel lijken intussen onuitputtelijk, alleen al gezien de fabelachtige opbrengsten. Afgelopen weekeinde wezen Duitse wetenschappers op de grote besparingen: het verbouwen van koolzaad voor biodiesel is in verhouding 25 keer zo duur.

Van der Zaag: „Als je in hectares gaat denken, en dat doe je in de olieplantenwereld, dan zijn de verhoudingen sterk verschillend. Palmolie en zonnebloemolie brengen jaarlijks per hectare tussen de 1600 en de 3000 liter op. Een hectare algen levert wel 40.000 liter. Dat komt doordat je niet eens per jaar kunt oogsten, zoals bij mais bijvoorbeeld, maar iedere dag. Als wij de helft van de algen uit onze proefinstallatie halen, zit de andere helft binnen 24 uur weer op 100 procent.”

Daar komt nog bij dat de productie in Nederland nog niet eens optimaal is, weet Van der Zaag. „Met veel zon en een gemiddeld hoge temperatuur gaat het proces nog veel beter. Daarmee is het systeem dus ideaal voor veel Afrikaanse en Aziatische landen.”

De meeste contacten van Bioking -waar de beller automatisch een Engelstalig keuzemenu voorgeschoteld krijgt- bevinden zich dan ook in het verre buitenland. „Wij richten ons met onze installaties vrijwel uitsluitend op de export.” Dat geldt ook voor de huidige installaties van Bioking. Het procedé voor biodiesel uit algen staat weliswaar nog in de kinderschoenen, maar het bedrijf verkoopt al enkele jaren machines die biodiesel produceren op basis van onder meer koolzaad. „Denk bijvoorbeeld aan farmers in Canada die heel wat kwijt zijn voor hun stookolie. Zij kopen met een aantal tegelijk een installatie van ons, die ze gebruiken om met hun koolzaad brandstof te produceren. Daarmee besparen ze zo de helft op hun brandstofkosten.”

De productie van biobrandstof uit de groene, slijmerige algendrab staat wereldwijd nog in de kinderschoenen, weet Van der Zaag. „Zeker waar het gesloten systemen betreft. In het ontwikkelen daarvan zijn we vrijwel uniek.”

Tien mensen
In de Verenigde Staten probeert GreenFuel Technologies uit Cambridge, Massachusetts, hetzelfde procedé te ontwikkelen. „Misschien weten maar tien mensen ter wereld hoe ze algen moeten laten groeien in intensieve systemen”, denkt Marcus Gay van GreenFuel. Gay, die aan het woord komt in de National Geographic van deze maand, spant zich in om de productiekosten van de algenbrandstof zo laag mogelijk te houden. „Wil dit werken, dan moet het goedkoper zijn dan petroleumdiesel. Als we ook maar één cent boven de prijs van diesel zitten, dan is het bekeken.”

Intussen biedt Nederland nauwelijks een markt voor de installaties. „Er wordt hier heus wel biodiesel geproduceerd”, zegt Van der Zaag, „maar dat nemen de grote olieraffinaderijen zelf voor hun rekening.”

Sinds dit jaar moet 2 procent van alle benzines en diesel in de Europese Unie uit biobrandstof bestaan. In 2010 moet dat op 5,75 procent zitten, zo heeft de Raad van Europa vastgesteld. Van der Zaag: „Nederland zegt: Dat laten we aan de industrie over, die regelt dat wel. En dat is ook zo. Daarom verdiepen wij ons verder niet in de Nederlandse markt. De wereld is groot genoeg.”

Welke alg is de beste?
Wereldwijd is de meest gebruikte alg voor de productie van (onder meer) biodiesel de chlorella. Het groene groeisel, horend bij de chlorophyta ofwel de algen die bij het plantenrijk zijn ingedeeld, is een veelvoorkomende zweefalg. Het minuscule plantje staat bekend om zijn hoge productiviteit en voedzaamheid. De chlorella bevat tal van eiwitten en vitaminen, waarom hij in veel voedingssupplementen en afvalpillen is verwerkt.

Bovendien, en dat is de belangrijkste reden voor veel kwekers om met de chlorella in zee te gaan, levert de alg zo’n 40 procent olie.

Overigens zijn er, van de tienduizenden algensoorten, andere die meer olie produceren, zoals de botryococcus. Het nadeel daarvan is echter de langzame groei, zegt kweker Callenbach uit Borculo. De kweker heeft wel betere algen gevonden, maar houdt de namen daarvan nog geheim.

Behalve de algensoort is ook de bekendheid van belang voor de productie. Callenbach: „Je moet als kweker ook iets met het restproduct. Van de chlorella is veel bekend. Dat is een geregistreerde alg die je weer in de voedselketen kunt stoppen. De resterende 60 procent is geschikt voor voedingssupplementen, maar ook voor diervoeding. Daarnaast kunnen er onder meer harsen en bioplastics van gemaakt worden. Voor veel andere algen moet dat eerst uitgezocht worden.”

Bioking in ’s-Gravenpolder werkt momenteel samen met studenten van de Technische Universiteit Delft en de Hogeschool Leiden aan de selectie van de beste algen.


Acties

Information

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s




%d bloggers op de volgende wijze: